Trezoria, Tak, Caya Yaya Illustraties, Stefan Yama Cab

De wortels
van Tak

ER WAS EENS...

… een jongen die Tak werd genoemd. 

Hij was anders dan anderen.

De mensen vonden

hem vreemd.

 

Tak bewoog nogal houterig. Hij liep traag

en hakkelig. Soms struikelde hij

over zijn eigen voeten.

En dan zijn haren …

 

In de zomer had Tak een gouden kruin,

in de herfst kleurden zijn haren geel en bruin,

in de winter werden ze dun en dof,

en in de lente … groen!

Maar het meest vreemde aan Tak

was iets waar hij nooit over sprak.

Het had te maken met

zijn wortels …

 

Die had hij niet.

 

Waar Tak ook kwam en

hoeveel mensen er ook in zijn

buurt waren: nergens voelde hij zich thuis.

Inspiratie%20(20)_edited.jpg

Zoals zo vaak doolde Tak door de stad,

zoekend naar zijn wortels. Hij moest ze hebben!

 

Iedereen had wortels. Iedereen kwam ergens vandaan.

Hij kon toch ook niet zomaar uit de lucht

gevallen zijn? Of wel soms?

Tak liep en liep en liep …

Hij piekerde en peinsde.

 

De mensen hadden gelijk.

Hij was echt vreemd.

Een vreemdeling.

 

Hij liep en liep en liep …

Tot zijn benen begonnen

te kraken en te piepen.

Hij zuchtte en leunde

tegen een oude eik.

‘Is er iets, jongen?’ klonk plots een zware stem.

Tak schrok. Hij keek om zich heen,

omhoog en omlaag.

 

Er was niemand.

‘Hierzo,’ zei de stem, ‘de boom die je steunt.’

Tak keek naar de bast. Inderdaad, de eik had een

mond, en een neus, en twee ogen die hem aankeken.

 

‘Ik hoorde je zuchten,’ zei de boom. ‘Waarom deed je dat?’

 

Tak brak. Dikke tranen rolden over zijn wangen.

‘Ik ben op zoek naar mijn wortels, maar ik

kan ze nergens vinden,’ snikte hij.

‘Ik hoor nergens thuis!’

 

‘Sst,’ ruiste de eik. ‘Rustig maar, jongen.

Iedereen heeft een thuis. Ook jij.

Misschien zijn jouw wortels

net zoals die van mij.’

 

Tak keek de boom met natte ogen aan.

‘Ik heb wortels,’ zei de eik. ‘Je staat erop.’

 

Tak deed een snelle stap opzij en keek omlaag.

Onder zijn voeten zag hij niets dan bladeren.

‘Je ziet mijn wortels niet,’ zei de eik,

‘maar ze zijn er wel.’

 

Het was waar.

Toen Tak de bladeren opzij schoof,

zag hij de wortels van de boom de aarde ingaan.

 

‘Dat geldt ook voor jou,’ ging de eik verder.

‘Ook jij hoort hier thuis. Op deze aarde.’

 

Tak veegde de tranen uit zijn ogen.

De eik had gelijk. Dat voelde hij

in zijn hart. En in zijn tenen.

 

Eindelijk had hij zijn wortels gevonden:

diep verankerd in de grond.

Tak omhelsde de eik, stevig en lang.

 

Nooit eerder voelde hij zich zo licht en buigzaam.

Hij danste in de wind, zonder over

zijn voeten te struikelen.

 

Tak was niet vreemd.

Tak was … thuis.

Einde